Wegdromen bij boomtoppen

Op vakantie kun je eindeloos voor je uitstaren en urenlang een boek lezen zonder dat iemand dat vreemd vindt. Ook in de trein is het volkomen normaal om wezenloos naar buiten te kijken, wat weg te dommelen of je volop te verdiepen in boek, tijdschrift of krant (wat jammer van De Pers!). Ik ben er dol op.

Helaas word ik in de trein nog wel eens gestoord door medereizigers die zich niet aan de spitscode houden: zo min mogelijk geluid maken. Afgelopen week had ik een prachtig, rustig plekje bemachtigd toen er opeens een groep geestelijk gehandicapten de coupé overspoelde. De man naast me was dacht ik doof, maar kon wel klanken uitstoten (ik dacht iets te verstaan van ‘ik rijd vooruit’), zijn medepassagier tegenover me beantwoordde de geluiden met een argwanend en langdurig gepeuter in zijn neus. So far voor het wegdromen.

Maar het gekke van urenlang lezen, staren en filosoferen is dat je het thuis eigenlijk nooit doet. Terwijl je daar toch het minst gestoord wordt. Ik neem het me vaak voor, met name als ik op vakantie ben geweest. Dan heb ik even geproefd van het heerlijke lummelen en wil ik meer.  Maar thuis is er altijd wel iets te doen; boodschappen, de was, sporten, afspraken, stofzuigen.

Vandaag heb ik het anders aangepakt. ’s Ochtends vroeg toog ik samen met Mathijs, die om tien uur moest werken, richting stad. Ik ging naar de markt, kocht cadeautjes en bezocht een relatief rustige H&M. Om half één was ik weer thuis en kon ik alle taken buitenshuis afvinken. En dus was het tijd voor mijn boek (De verdwijning van Thomas Lumas, ik weet nog niet wat ik ervan moet denken, maar ben bang dat het ondanks mijn status van boekenwurm toch te hoog gegrepen is). Ik haalde extra kussens uit de woonkamer en installeerde mezelf met pot thee en twee slapende katten onder de dekens in de slaapkamer. Als ik mijn ogen opsloeg van de bladzijdes keek ik recht tegen de toppen van de bomen op het plein aan. Met een beetje fantasie dacht ik er bos en kwetterende vogels bij. Ik droomde weg bij beelden van vakanties, keek naar de katten die zich loom uitrekten en weer oprolden. En het leven was goed. Dat moet ik vaker doen.