Wat is daarop je antwoord

Mag ik een zelfgemaakt drankje maken met restjes uit de koelkast? Mag ik een emmer water meenemen naar de speeltuin? Mag ik een tent bouwen in de woonkamer? Mag ik van het geld uit mijn spaarpot zelf iets kopen? Mag ik nu bij een vriendje aanbellen om te spelen?

Zoveel vragen, zoveel mogelijkheden. En dan zijn er nog de vragen die niet gesteld worden. Dan handelen kinderen gewoon. Vaak omdat ze voorvoelen dat het antwoord anders waarschijnlijk ‘nee’ is. Soms omdat ze lekker in hun spel zitten. De mogelijkheden zijn eindeloos, maar wanneer zeg je ‘ja’ en wanneer ‘nee’? Want soms zijn de consequenties niet te overzien.

Neem nou de eerste vraag: mag ik een zelfgemaakt drankje maken met restjes uit de koelkast? Ik weet hoe leuk Joep en Evi het vinden om te klooien, te kliederen en te onderzoeken. Bovendien ben ik groot voorstander van proefondervindelijk leren. Wordt ranja vies met een scheutje melk? Probeer en proef het. Aan de andere kant wil ik mijn kinderen leren dat eten en drinken waarde heeft (en dus niet zomaar weg gemikt moet worden), heb ik geen zin in een gigantische plakzooi (gelukkig kan zoiets heel goed buiten bij mooi weer) en wil ik dat ze het zelf klaarzetten en weer opruimen (een utopie, of in ieder geval ‘work in progress’). Dus een antwoord geven is zo makkelijk nog niet.

Soms, meestal als ik moe ben, heb ik geen zin in alle vragen en laat ik ze een beetje aan me voorbij gaan. Dan pas ik de afwachttactiek toe in de hoop dat iets zichzelf in de tussentijd oplost. Soms is dit het geval (Mathijs zegt ‘nee’ of ze gaan iets anders doen), maar meestal niet. Soms gaan ze dan zonder goedkeuring aan de slag en kom ik er in mijn vermoeide bui achter dat ik beter ‘nee’ had kunnen zeggen. Maar dan is het kwaad al geschiet. Het probleem is dat ik niet te vaak ‘nee’ wil zeggen. Niet omdat ik mijn kinderen geen grenzen wil leren, maar vooral omdat het leven zo saai en vervelend is als er helemaal niets mag. Het is zo negatief. En dat de reden om ‘nee’ te zeggen, vaak een gemakzuchtige is, bijvoorbeeld ‘ik heb geen zin in troep’. Maar hoe erg is een beetje troep eigenlijk? Een keer moet toch kunnen.

En dus blijf ik dubben, afwachten, grenzen stellen, kinderen blij maken en troep opruimen. Kortom ik ben het zelf net zo goed als mijn kinderen: work in progress.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.