Mijn lieve mama

Wat schrijf je over je moeder als ze is overleden? Er valt zoveel te vertellen.
Ik vind dat ze een plekje op dit blog verdient, maar waar te beginnen?

Mijn moeder kreeg 6,5 jaar geleden de diagnose Lewy Body dementie. Ze was toen 69 jaar. In de jaren die volgden raakte ze steeds iets kwijt van wat ze kon. Praten, woorden vinden voor wat ze zo duidelijk wél in haar hoofd begreep, plannen, iets waar ze altijd ontzettend goed in was (lijstjes maken en nooit te laat!), viool spelen (dat lukte niet meer qua vingerzetting en snelheid), auto rijden, de tafel dekken, een gesprek met meer dan één iemand volgen… Beetje bij beetje werd het leven lastiger voor haar.

Na bijna drie jaar nam ze een besluit; dit wil ik niet. Een traject bij het Expertisecentrum Euthanasie volgde. Na meerdere gesprekken met ons, een arts en verpleegkundige en een scen arts, kreeg ze groen licht. Een week voor de euthanasie maakte ze, voor ons vrij plotseling, een andere keuze. Ze kon het niet. Op dat moment vond ik het moeilijk te begrijpen, ze was zo stellig in haar overtuiging geweest. Nu, achteraf, denk ik dat ze ons niet kon loslaten.

Het leven ging door, ze verhuisde naar een fijn verzorgingstehuis. Ze wandelde veel, raakte soms de weg kwijt, vond het heerlijk op de duofiets en deed mee aan activiteiten. Tot ze bij een kleine val in de tuin haar heup brak. Ze krabbelde weer op, maar had flink ingeleverd. Ze dreef steeds verder weg in haar wereld van dementie en was steeds moeilijker te bereiken. Al zag ik bijna elk bezoek de herkenning en blijdschap in haar ogen wanneer ik haar begroette. Wat bleef was de muziek. Als ik zong, neuriede ze mee. En wat ook bleef was het gevoel. Haar hand vasthouden, een aai, een knik.
Ze overleed heel rustig nadat haar lijf besloot dat het genoeg was.

De laatste jaren waren zwaar, steeds een beetje loslaten. Maar de mooie jaren waren er ook. Mijn moeder was een creatieve, lieve, muzikale en avontuurlijke vrouw. Ze maakte samen met mijn vader verre reizen, onder meer van Istanbul naar Beijing via Kirgizië en Iran, en naar Nieuw-Zeeland en Guatemala. Ze reed de camper toen we dertig jaar geleden door Amerika reisden als gezin. Ze maakte beelden, borduurwerkjes voor op de kinderkamer, schilderijen en tekeningen. Ze kon soms wat ontactisch uit de hoek komen. Ik kan me herinneren dat ze een keer over een vriendin van me zei: o ja, dat meisje met die grote voortanden. Ze was een stoere moeder, gaf mij en mijn zussen vertrouwen en ruimte om ons eigen pad te vinden. En ze was ontzettend lief en had een aangeboren talent voor baby’s en kleine kinderen. Met haar rust wist ze menig baby te kalmeren, daarin was ze een groot voorbeeld en steun voor mij en mijn zussen.  

Een van mijn mooiste herinneringen is van een familieweekend in de Ardennen. We verblijven met zijn allen in een groot huis, inclusief drie van mijn op dat moment nog heel jonge neefjes. Ik ben zes weken zwanger en weet nog niet dat Joep en Evi samen in mijn buik zitten. Het leven lacht ons toe. Het is avond en we spelen spelletjes, daar was mijn moeder dol op (en ik ben dat ook). Of ze wil pokeren? Ja hoor, dat wil ze wel proberen. Ze wint glansrijk. Waarschijnlijk is het beginnersgeluk want ze beschikte nou niet echt over een pokerface. Ze lacht hard, ongeremd en vol levenslust wanneer ze alle fiches triomfantelijk naar zichzelf toeschuift. Zo wil ik haar herinneren. Trots. Gelukkig. Ondernemend. En vol van leven.

De jongste zijn, ik weet hoe het is.

Niet voor vol aangezien worden, want jij bent te klein.
Mijlpalen mondjesmaat vieren, want het nieuwe is er vanaf.
En hoe oud je ook bent, je blijft altijd de jongste.
Plus het eeuwige verwijt dat je verwend bent (wat op sommige punten natuurlijk wel zo is).

Wij waren vroeger met drie kinderen thuis, net als nu bij ons.
Vaak was het leuk om de jongste te zijn, met twee grote zussen boven me. Maar soms ook niet.

De geschiedenis herhaalt zich.
Onze jongste is inmiddels 9 jaar, al zegt hij zelf dat hij ‘op weg is naar tiener’. Langzaam maar zeker slaat hij zijn vleugels uit. Op de fiets door de wijk, bal en sleutel in zijn rugzak. Soms blijft hij even weg, soms komt hij pas uren later vies, bezweet en dorstig terug (ik vermoed dat hij op diverse plekken een snoepje heeft gehad). Heerlijk!

Nou ontbrak het hem nooit aan een eigen wil. Daar was hij altijd al duidelijk in.

Tegelijkertijd was hij best meegaand, bereid om aan veel dingen mee te doen en positief of enthousiast daarover. Soms vond hij het minder leuk. Dan vroeg ik hoe hij het had gehad en zei hij iets in de trant van; “het was mwa, maar jij vindt dit wel leuk hè.” Kortom: weinig weerstand.

Nu niet meer. Meneer kiest zijn eigen pad en wijkt daar liever niet vanaf. Goede ontwikkeling, maar ook een lastige voor deze mama. Want al jaren roepen we dat ‘op een gegeven moment het schattige er vanaf gaat’. Lange tijd kreeg Huub veel voor elkaar met een lach, grapje of traan. Ik denk dat die tijd nu voorbij is. En dat, dat vind ik lastig.

Want mijn jongste is zo klein niet meer. Soms zou ik hem nog even in de draagzak op mijn rug willen stoppen, zijn verhaspelde woordjes willen horen, zijn kleine lijfje in een zwemvestje willen stoppen of zijn enthousiaste snoetje willen zien als we een flauw grapje maken.

Maar hij kan niet klein blijven, net zoals ik dat niet kon.

Loslaten he, dat opvoeden.

Geluk of wijsheid

Al vaker had ik de toren robuust en modern in het landschap zien staan terwijl ik over de snelweg reed. Hoe zou het uitzicht daarboven zijn? Toen ik afgelopen weekend langs een paadje fietste met een bord ‘uitkijktoren Den Herdgang linksaf’ bleef dat in mijn hoofd hangen.

En dus trakteerde ik mezelf deze maandagmiddag op een wandeling. Ik toog richting Moerenburg, zette een podcast op over hoe je je beste leven leeft en genoot van de zon, de wind op mijn gezicht en de ruisende bomen om me heen. Wat een voorrecht om op zomaar een maandagmiddag een uur voor mezelf te hebben.

Na een tijdje sloeg ik linksaf het paadje in. Hoe ver de toren nog lopen was, wist ik niet, maar ik was vastbesloten om mijn doel te bereiken.

Totdat ik ze zag staan.

Vijf mannen in oranje overalls met maaimachines en een elektrische zaag. Daar moest ik langslopen, alleen. Met niemand anders in de buurt.

Mijn lijf blokkeerde en zei me maar één ding: omkeren. Daarop startte een interne dialoog.

Het zijn gewoon een paar mannen die aan het werk zijn, niets aan de hand. Ik mag hier lopen.

Als ze je te grazen nemen, kun je niets doen.

Je bent geen jong blaadje meer, ze vinden je écht niet meer interessant.

Er worden ook vrouwen van 70 verkracht.

Je ziet er niet uitnodigend uit met je wijde spijkerbroek, t-shirt en make-uploze hoofd.

Alsof dat verschil moet maken.

Dit pad is er ook voor jou.

Ook op klaarlichte dag gebeuren er verschrikkelijke dingen.

Je wilde zo graag naar die toren, laat je niet weerhouden door angst.

Die laatste opmerking galmde na in mijn hoofd terwijl ik opzocht hoe ver het eigenlijk nog lopen was. 450 meter. Zo dichtbij.

Ik ga dit doen.

Ik wandelde langs de mannen, die mij zo goed als negeerden, een tunnel vol graffiti door, verder over een (voor zover ik kon inschatten) doodlopende weg naar de toren. Daar genoot ik van het uitzicht en de trots op mezelf. Maar er knaagde ook iets; ik moest nog terug.

Ook dat ging probleemloos.

Was het geluk? Wijsheid? Leeftijd? Onnodige angst? Ik weet het niet. De kans dat iets je overkomt is klein, maar wat als je net die ene met pech bent… Ik heb van vroeger uit gelukkig geen hele nare ervaringen, op wat opmerkingen, een tong in mijn oor, wat geknepen billen en een keer omrijden ’s nachts na. Maakt dat me roekeloos of geeft het me zelfvertrouwen? Ben ik zaken vergeten of bagatteliseer ik?

Hoe dan ook, vorige week hadden we thuis dat gesprek. Dat gesprek waarin ik dochter uitleg nóóit alleen naar huis te fietsen ’s nachts en oudste zoon om meisjes altijd netjes thuis te brengen, zonder bijbedoelingen. Het zou niet zo moeten zijn, maar helaas is het wat het is.

Het is een (tussen)fase

‘Het is een fase’. Een zin die me tijdens de tropenjaren steun bood. Ook dit gaat voorbij, fluisterde het zachtjes in mijn hoofd. Maar, dat had ook een negatieve kant, zo weten de meeste ouders. Luierkontjes, zachte nekhaartjes en spekbeentjes; ze liggen allemaal achter ons. Net als slapeloze nachten (al durf ik dit eigenlijk nog steeds niet hardop uit te spreken, je weet het nooit), eindeloze snottebellen en peutermotoriek.

We bevinden ons op dit moment in een tussenfase, een schemergebied tussen de volgende stap en wat geweest is. Met één kind op de basisschool en twee in de tweede (maar vroege leerlingen dus relatief gezien aan de jonge kant) proeven we al van de puberfase, genieten we langzaam van steeds meer vrijheden als ouder (nee joh, oppas is dan niet nodig) en spelen we toch nog vele potjes Regenwormen, tafeltennis of mini-pool.

Op zich niets te klagen dus. Maar het voelt wat onbekend, wat zoekend. Neem nu de zomervakantie. Mathijs en ik willen struinen over een Frans marktje en dan even die kerk, dat winkeltje of die galerie inlopen. Zij willen uitslapen en vissen/zwemmen/voetballen. Wat doe je dan? Iedereen mokkend mee? Alleen de jongste dwingen om mee te gaan? De oudste twee verantwoordelijk maken voor de jongste? Met z’n allen de camping niet afkomen?

Eén ochtend togen we met zijn tweetjes naar dat marktje. Man, man, wat was dat fijn. We gingen uitgebreid op zoek naar artisjokkentapenade, namen een keur aan kleine saucissons mee en dronken een kopje koffie op een terras om 11.00 uur ’s ochtends naast een opa die met zijn (ik schat in volwassen) kleinkinderen aan schalen met oesters en glazen witte wijn zat. Heerlijk.

Het was proeven van de toekomst. Weer meer dingen doen die je zelf écht leuk vindt zonder dat er gevraagd wordt om een ijsje of hoe lang we nog blijven. Maar ook; minder die gezinscocon in, dat uitje met zijn allen. Gelukkig kregen we iedereen bereid om nog een keer le Mont-Saint-Michel te bezoeken. De wandeltocht was zeer goed te doen (sommige benen waren wat langer dan drie jaar geleden), alleen de berg was nog net zo druk. Maar, het was gezellig. Ik ben benieuwd of ik dat volgend jaar nog kan zeggen.

Baddromen

Jullie hadden nog iets te goed van me. Eerder vertelde ik over de totstandkoming van mijn badkamerdroom. Dat ik al vijftien jaar droomde van een bad in onze badkamer. En dat het er nu toch écht ging komen. Maar, zou de nieuwe badkamer wel aan mijn hoge verwachtingen voldoen? Spoiler alert: ja!

Impressie vooraf

Ik dacht dat ik meteen zou ontspannen als een spons die zich volzuigt met water tijdens mijn eerste baddersessie. Maar nee. Na weken van douchen in de tuin (brrr, wat een gedoe) of bij de sportschool (hoi, ben ik weer), mensen in huis (ja hoor, het water kan er wel even af), stofwolken (alweer aan het stofzuigen) en een doorwaakte nacht met een klein jongetje met buikgriep zónder wc op de verdieping (emmertje hier, emmertje daar), was het nu eindelijk zover. Maar de spanning en ‘het moeten’ zaten nog iets te veel in mijn lijf om het los te weken in het warme water.

Want ‘yes, het is af’ betekende ook: Evi’s kamer verven, haar spullen weer terug verhuizen, het plafond van de badkamer verven, de gang verven, plinten plaatsen, het huis van onder tot boven schoonmaken, de ingewassen tegels schoonwrijven, etc. Niet bepaald het moment suprême waar je op hoopt.

Ik klink nu als een verwend nest, sorry.

Mathijs zou het liefst een bouwval kopen en daar twee jaar aan klussen, terwijl we wonen in een oude caravan op het terrein. Ik daarentegen kijk vooral reikhalzend uit naar het eindresultaat.

Dus, het eindresultaat! Drumroll please!

Elke keer dat ik de badkamer inloop, maakt mijn hart een blij sprongetje. Is deze ruimte echt onderdeel van óns huis? Het ziet er zo volwassen uit. Een week na het afvinken en dus loslaten van alle moetjes en klusjes, zakte ik écht ontspannen weg in het schuim. En dat was god-de-lijk. Nog geen moment spijt gehad. En het bad is sinds de opening van de badkamer vrijwel elke dag gevuld geweest (op een paar dagen dat we er niet waren na).

Missie geslaagd!

Dit is mijn spreekbeurt

Zien jullie dat zelfs Melinde het spannend vindt om een spreekbeurt te geven?

Met deze zin rondde mijn basisschooldocent de beoordeling van mijn spreekbeurt over mijn hamster af. Het maakte me onzeker, want wat bedoelde hij daarmee? Ja, normaal gesproken had ik er geen moeite mee om mijn zegje te doen in de klas, maar het geven van een spreekbeurt; dat is andere koek. Ik voelde mijn knieën knikken en kreeg het warm toen ik mijn plek voor de klas innam. Terwijl ik goed wist wat ik over die hamster wilde vertellen.

Op de middelbare school vond ik het niet leuk om een spreekbeurt te geven. Het moest een paar keer en dus deed ik het. Wat ik wél leuk vond was toneel spelen en zingen. Ook dat vond ik spannend om te doen voor een groep mensen, maar leuk genoeg om die angst te overwinnen. Na een paar optredens had ik de smaak te pakken en werd ik er vooral heel blij van.

Fast forward naar nu. Ik heb best wel iets te vertellen, denk ik. Of het nu gaat om inspirerende verhalen van anderen (uit interviews), mijn eigen ervaringen of de expertise die ik onderweg heb opgedaan. Maar spreken voor een groep, dat doe ik nog steeds niet graag. Want stel dat ze je een vraag stellen waar je geen antwoord op weet? Dat ik mezelf klem praat of allerlei belangrijks vergeet.

Hier sta ik voor de kijkers links

Jammer, vind ik. En hoog tijd om er verandering in te brengen. Dat deed ik op 18 februari voor Art-fact. Vanuit EELT Theatercollectief vertelde ik samen met (de zeer ervaren) Monique Zijp over onze ervaringen met effectief communiceren in de culturele sector. En dat viel niet tegen. Sterker nog, het was hartstikke leuk! Een zaaltje vol enthousiaste, trouw deelnemende cultuurliefhebbers hing aan onze lippen en voerde de workshopopdrachten nauwgezet uit.

En wat werd ik me daar blij van! En ja, ik vond het spannend om te doen (gelukkig mocht ik van tevoren de presentatie op mijn twaalfjarige dochter testen en gaf zij aan dat ze bleef luisteren, ook al was het saai). Maar het gaf me zo’n fijn gevoel!

Dus, reken er maar op dat jullie vaker iets van me gaan horen.

Denkend aan badkamers, zie ik…

Met mijn gedachten ergens anders, ben ik altijd overal.

Deze spreuk van Loesje prijkte in mijn pubertijd op de muur van mijn kamer.

Ik zat toen best vaak met mijn gedachten ergens anders. Mijn vader noemde me niet voor niets een dromer (mijn zussen vond hij ‘een leider’ en ‘verzorgend’). En daar is niets mis mee.

Soms is de voorstelling die je van iets hebt in je hoofd mooier dan de werkelijkheid. Het is als een net geopende zak koffiebonen. Die geur is in mijn ogen onovertroffen, daar steekt het kopje koffie schril bij af.

Nu ben ik aan het peinzen over mijn badkamerdroom; gaat die nieuwe badkamer zijn zoals de koffiebonen of de koffie? Ik droom namelijk al vijftien jaar over een bad. Inmiddels zitten we middenin de verbouwing en kan ik het heugelijke feit delen dat het er komt, dat bad. Sterker nog, het ligt momenteel in de garage te wachten op installatie.

Elke dag loop ik even de ruimte in om te zien wat er is veranderd. Dat heeft weinig met dromen te maken, het is gewoon de harde werkelijkheid van bouwstof, afgedopte leidingen en een voorzetwandje. Te midden van het drogende stucwerk denk ik aan eindeloze baddersessies. Net iets te heet water, volop schuim, met mijn boek wegzakken in de troostende warmte van het water. Iemand die een kopje thee (of glaasje wijn) komt brengen. Ik kan me eigenlijk niet goed voorstellen dat ik daar straks écht lig. Het is te mooi om waar te zijn.

Hier komt straks het bad

Ik hoop zó dat de droom niet mooier is dan de werkelijkheid. Dat die tegels die we uitgekozen hebben en er mooi uitzagen in de winkel, inderdaad goed bij elkaar passen als ze eenmaal zijn geplaatst. Want je kiest ook maar iets uit toch, op gevoel. We gaan het zien. Over twee weken komt mijn badkamerdroom uit, ik houd jullie op de hoogte.

Sintgedachten

Hoe zetten zwervers hun schoen?

Ik moet zeggen dat deze vraag me op de vroege ochtend een beetje verraste.
Maar mooi is hij wel.
Huub, de steller van de vraag, keek er bedachtzaam bij.

Regelmatig vraag ik me af wat er allemaal in die koppies omgaat. Nu ook.
Dat Sinterklaas ‘top of mind’ is, verbaast me niet. Maar hoe komt hij erbij om te denken aan het schoen zetten van zwervers?

‘Tja, wat denk jij’, antwoordde ik diplomatiek (superhandige techniek als je zelf het antwoord niet weet, wat denktijd nodig hebt en je kind wil stimuleren om zelf na te denken).

Misschien in een tas?
Of in een doos?
Of bij de verwarming in de daklozenopvang?

We zagen in ieder geval meerdere mogelijkheden, wat hem aanzienlijk geruststelde.
Want je moet er toch niet aan denken dat Sinterklaas iemand overslaat!

Huub speelt met een schoencadeautje

Droom, maar niet te groot

Op 14 november was ik bij een bijeenkomst over Kansengelijkheid in Tilburg. Eén van de mensen in de zaal gaf de sprekers op het podium deze reactie: “We moeten kinderen en jongeren stimuleren, maar ze moeten wel realistisch dromen.”

Inmiddels zijn we bijna twee weken verder en de zin blijft aan me knagen.

Ik snap de insteek van het commentaar; we kunnen niet allemaal influencer, president of profvoetballer worden. En de weg naar de top zal voor jongeren die te maken hebben met kansenongelijkheid nog veel langer en hobbeliger zijn dan voor hun leeftijdsgenoten die thuis en in hun omgeving alle kansen en ondersteuning krijgen.

Maar toch.

Waar droomde jij vroeger van?

Ik wilde trapezewerkster worden. Het leek me heerlijk om hoog door een circustent te vliegen, met alle ogen van de gespannen bezoekers op me gericht.

Ook droomde ik ervan om op een dag wakker te worden en opeens héél goed te kunnen turnen.
En een tijdlang hoopte ik op een carrière als actrice.

Het is het allemaal niet geworden.

Is dat jammer? Nee.
Heb ik genoten van het dromen? Zeker!

Het idee dat de wereld aan je voeten ligt, dat alles mogelijk is, is voor mij inherent verbonden aan jong zijn. Een droom koesteren is daar een belangrijk onderdeel van. Of het haalbaar is, is in mijn ogen niet eens zo belangrijk. Het geeft je een ‘drive’ en een richting. Het wakkert je vuurtje aan.  

Nu snap ik ook dat het voor sommige jongeren helemaal niet voelt alsof de wereld aan hun voeten ligt. Ik kan me niet écht voorstellen hoe het is om het idee te hebben dat de wereld niet op je zit te wachten. Toch hebben flink wat jongeren dat gevoel.

Moeten we hen dan ook nog beperken in de grootte van hun dromen?

Als we al bij het dromen aangeven dat iemand moet dimmen, dan doof je wat mij betreft het vuurtje van een persoon. “Denk maar niet dat jíj dat kan.”

Want we moeten juist hoge verwachtingen koesteren.
‘Als jij steeds weer in dat lage niveaugroepje wordt ingedeeld door de leerkracht, neemt je zelfvertrouwen natuurlijk rap af’, stellen onderwijswetenschappers Lisa Gaikhorst en Edda Veerman. Dat zelfvertrouwen is echter een belangrijke voorwaarde voor goed presteren.

Dus als wij al gaan bepalen dat jij te groot droomt, wie ben jij dan nog om wél in jezelf te geloven.

Droom maar van die carrière als You Tuber, droom maar van die Ferrari of Gucci-‘weet ik veel wats’. Want die dromen brengen je dichter bij dat realistische doel. En zo word je uiteindelijk tekstschrijver, automonteur of kapper. En dat is ook hartstikke leuk.

Het zijn die kleine gesprekjes

Mam, een bevalling duurt toch meestal twee minuten?

We zijn onderweg naar de voetbal en het stemmetje van de kleine jongen achterop de fiets verrast me met deze vraag.

Eh nee lieverd, ik denk eerder dat tien uur gemiddeld is.

O, dat zeggen ze op school.

Mam, wist jij van de Watersnoodramp in Zeeland in 1953?
En dat je je hartslag in je pols kunt voelen?
En dat je hart een spier is?
En dat je kunt trommelen op je lichaam?
En dat je hersenen een beetje klein zijn maar veel energie gebruiken?

Van de waarom-fase zijn we ongemerkt in de ‘wist je dat’-fase beland. Wat een heerlijkheid!
Meestal kloppen de feitjes als een bus en moet ik op mijn tong bijten om niet steeds te zeggen ‘ja, dat wist ik al’, want als ik dat níet doe, vertelt hij honderduit over alles wat hij weet.

Hoe weet je dat eigenlijk allemaal? Van school?

Nee hoor, gewoon,

Met een wereldwijs snoetje kijkt hij me aan.
Dikke duim voor jou (en een beetje voor de leraar)!