Israël en de Gazastrook, Syrië, Sudan. Meestal is het een ver-van-mijn-bed-show. Dan zie ik de beelden op het journaal of lees ik de berichten op internet en denk ik ‘wat erg’. En ga ik verder met mijn dag. Oekraïne viel in dezelfde categorie. Echt raken deed het nieuws me niet. Het conflict met het oppermachtige en zelfzuchtige Rusland nam ik ter kennisgeving aan.
Maar nu niet meer. Nu komt het opeens dichtbij. En nu vind ik het wél erg. Gelukkig voor mij komt het niet héél dichtbij, ik ken geen mensen die aan boord gingen van het bewuste vliegtuig. Voor mij geen verdriet om een moeder, zus, vriendin, neefje of heel gezin. Voor mij geen woeste frustratie om het onrecht dat is aangedaan en nog steeds voortduurt met het verwijderen van de lichamen. Of moet ik zeggen: het stelen ervan.
En toch. Het had gekund. Het had een geliefde van mij kunnen zijn. Ik prijs mezelf gelukkig dat het niet zo is. Dat ik zo’n geluksvogel ben die niemand te begraven heeft en die zich nog kan bezighouden met de stommiteiten van alledag. Wat eten we vandaag? En hoe zit het met die deadline? Ik voel me vooral een hypocriet. Omdat al die andere verhalen me niet raakten, simpelweg vanwege het aantal kilometers. Terwijl daar net zo goed mensen wonen met dromen, angsten, levens en verdriet.
Wat me het meeste raakte was een boekje. Een boekje tijdens het journaal. Het lag op de grond in het gras en er stond op: Mijn eerste woordjes. Met stickers. Het vertelt over een toekomst, over de zorg van ouders voor een kind, het plezier en de spanning van een (eerste?) vliegreis. En de grote leegte erna.
