Joep kletst de hele tijd door. Vanaf het moment dat hij wakker is (mama, papa, wakker!) totdat hij gaat slapen (hoeve niet te slapen). Evi is iets stiller maar verrast ons vervolgens met nieuwe woorden die uit het niets lijken te komen. Kappusjon, zei ze gisteren, terwijl ze de capuchon van haar jas over haar hoofd trok omdat het regende. Weer een nieuw woord bij de verzameling in haar kleine hoofdje. Het is verbazingwekkend wat en hoe snel kinderen nieuwe dingen leren. Van lachen en omrollen tot rennen en praten.
Waarom zijn kinderen zo goed in leren? Natuurlijk, het is de bedoeling dat zij dit doen in deze levensfase, daar zijn hun hersenen op gebouwd. Maar wat kunnen wij leren van hen? Want hoe moeilijk is het om als volwassene iets nieuws te leren? Het antwoord zag ik opeens afgelopen week. Evi gooide met een ballon en probeerde hem op te vangen. De ene keer lukte het wel (ja, gelukt!) en de andere keer niet. Dan zei ze: bijna! Ook als de ballon een totaal andere kant op stuiterde.
Bijna. Het smaakt naar ‘straks lukt het wel’. Kinderen kunnen volgens mij zo goed leren omdat ze de bijna-instelling hebben. Ze weten dat de aanhouder wint. Dat je het stapje voor stapje moet doen. En dat als je maar blijft proberen en gelooft in jezelf, het je op een dag lukt. En dat je dan glundert van trots. Het bijna-effect, ik ga het ook proberen.

wat leuk geschreven.
het bijna effect , ga het ook doen
de aanhouder wint tenslotte