Woongevoel

Het idee alleen al: een huis kopen. Dat doen volwassen mensen met verantwoordelijkheidsgevoel, een dikke portemonnee en toekomstvisie. En nu gaan Mathijs en ik het ook doen. Tenminste, we zijn ons ‘aan het oriënteren’. Dat wil zeggen dat we dagelijks bijhouden welke huizen er in onze prijsklasse bijkomen op funda, wie in prijs daalt en welke woningen net aan onze neus voorbij gaan. Verder volgen we de recessie op de voet, want: het is een kopersmarkt. Dat betekent dat je het als koper voor het zeggen hebt. Tienduizend euro van de vraagprijs? Geen probleem! Nouja, tot op zekere hoogte natuurlijk. Maar er zijn al opvallend veel huizen in prijs gedaald de laatste tijd.

Volgende week vrijdag gaan we voor het eerst een huis bezichtigen. Ik voel me als een kind in een speelgoedwinkel. Ik zie allemaal lekkers: knusse elementen, een open haard, een badkamer met bad, een grote keuken, eikenhouten vloeren… Het ligt allemaal voor het grijpen, lijkt. Alleen hoe belangrijk is dubbele beglazing? Hoe doorzie je verborgen gebreken? En wanneer heb je zon als je tuin(tje) op het zuiden ligt? Ik voel me dus een klein kind in een speelgoedwinkel. Er bungelt allerlei lekkers voor mijn neus, maar ik weet niet wat ik moet of mag pakken.

Om financieel in ieder geval goed onderlegd te zijn, hebben we twee gesprekken gehad met een hypotheekadviseur. Mijn oren toeterden toen hij alles uitlegde over hypotheken, aflossingen, rente, fiscale aftrekposten, pensioen, verzekeringen en wat te doen bij overlijden. Heel informatief allemaal. Verder voelde het een beetje belachelijk om te weten dat we een x bedrag kunnen lenen, maar wél druk aan het sparen zijn voor de wintersportvakantie.

Mathijs en ik zijn het in ieder geval over een aantal dingen met elkaar eens. Ten eerste moeten we erop vooruit gaan. Dus: meer woonoppervlak op een fijne locatie. Het huis moet gezellig zijn: sfeervolle, authentieke elementen, geen nieuwbouw. En we hebben geen haast. We zien wel hoe het loopt. Als het juiste huis op ons pad komt, voelen we dat vast. Vooralsnog ga ik er gewoon van genieten. Want het is toch hartstikke leuk om te dromen van een eigen huis?

Rijdende trein

‘I hope this old train breaks down.
Then I could take a walk around.
See what there is to see.
And time is just a memory.’

Deze (en meer) zinnen van Jack Johnson klonken gisteravond in de auto. Met mijn stoel op de relaxstand liet ik me comfortabel en al mijmerend door Mathijs van mijn ouders naar huis rijden. Ik herken het gevoel dat Jack omschrijft wel, dat je zin hebt om even uit de rijdende trein te stappen. Even alles wat moet en is afgesproken naast je neer leggen en de boel de boel laten. Als je ziek bent, word je eigenlijk gedwongen dat te doen. Alleen kun je dan niet, zoals Jack in dit nummer zingt, op het gemak een rondje lopen en bekijken wat er te bekijken valt.

Eigenlijk zouden we dat allemaal wat vaker moeten doen. De afgelopen paar dagen kreeg ik allemaal signalen die passen binnen deze boodschap. Ik denk dat het universum me wat wil vertellen. Vorige week keek ik Oprah (ja, je moet iets). Het ging over een vrouw die haar kind was vergeten in een auto in de gloeiend hete zon. Haar kind was overleden. De boodschap van de show was dat wij vrouwen (en sommige mannen misschien ook wel) teveel tegelijk willen zijn. En dat alles perfect moet. In ons streven naar de perfecte moeder, (huis)vrouw, vriendin, dochter, collega en medewerker, lopen we onszelf voorbij. We moeten zo ontzettend veel van onszelf, dat het wel een keer fout moet gaan.

In een ander tv-programma: wist je dat multitasken niet bestaat? We denken dat we twee dingen tegelijk doen, maar eigenlijk schakelen we constant heen en weer tussen de activiteiten en doen we niets met volledige aandacht. Nog zoiets: gisteren werd tijdens de verjaardag van mijn vader weer eens een pijnlijk helder beeld geschetst van het zo-moeder-zo-dochter-principe. Wat blijkt; mijn zussen en ik kunnen net als mijn moeder pas stilzitten als alles gedaan is. Eerder niet. Hmmm, denk ik dan. Misschien moet ik wat vaker naar Jack luisteren, eens uit mijn rijdende trein stappen en goed om me heen kijken. Want voor je het weet is het moment alweer voorbij.

Ziek

Even niet zo’n fantastisch, gezellige, onderhoudende en optimistische blog. Ik zit namelijk thuis te snotteren (etc.). Als je ziek bent, maak je ook niet zoveel mee, afgezien van een hele enge film gisteren (Strangers). Echt zo’n film waarbij je met een kussen in de handen steeds stiekem wegkijkt en je dan toch elke keer kapot schrikt. Maar aangezien ik verder bar weinig meemaak, ik zal jullie niet vermoeien met snotlappen en keelpijn, houd ik het kort. Ik beloof bij dezen plechtig de volgende keer weer wat origineler en uitgebreider uit de hoek te komen.

Slikken en smullen

Sommige mensen gourmetten of kaasfonduen met Kerstmis. Bij anderen staat sinds jaar en dag een pasteitje met ragout, rollade met aardappelpuree en spruitjes en als toetje een bak ijs op het menu (met zo’n wafeltje). Lieve lezers, jullie kennen me een beetje, aan mij is dat natuurlijk niet besteed. En aan Mathijs (kokkie-vriend) al helemaal niet. En dus beginnen de voorbereidingen voor Kerstmis bij ons al in september.

Vorig jaar fêteerden we vriend en familielid met een elfgangendiner. En aangezien je jezelf elk jaar dient te verbeteren, kun je je voorstellen dat de lat hoog ligt. Meer gangen is geen optie, als we willen dat er niemand op de eerste hulp terecht komt. Dus luidt de conclusie ‘andere, nog subtielere, meer bijzondere gerechten’ en ‘kwaliteit boven alles’. Nou houd ik dus erg van koken. Ik blader al maandenlang allerhande kookboeken en magazines door op zoek naar bijzondere recepten. Mathijs is daar anders in. Die wil het liefst zelf iets verzinnen. En aangezien hij overduidelijk de broek aan heeft in de keuken, kan ik niets anders doen dan volgen.

En zo zat ik gistermiddag receptentitels op te lezen. Ik formuleerde ze smeuïg, sprak paaiend, tongstrelend en liefkozend over runderhaas, lamsgebraad en parelhoen. Mathijs was niet onder de indruk. Op een gegeven moment heb ik hem gevraagd om in ieder geval te doen alsof hij het interessant vond. Volgens mij ben ik zo ongeveer de enige vrouw in Nederland die méér wil doen met kerst. Maar ach. Straks staan we weer de sterren van de hemel te koken in de fantastische keuken van mijn zus. Dus ik slik het allemaal, want het wordt hoe dan ook smullen!

Irrationele ergernissen

Ik kan me soms aan kleine dingen ergeren. Zo kom ik vaak dezelfde man op de fiets tegen ’s ochtends. Hij fietst alleen net iets te langzaam. Een onaangenaam tempo. En hij houdt zijn grijze laptoptas met één hand vast achterop zijn bagagedrager, terwijl hij fietstassen heeft. Waarom dan die fietstassen?

Aangekomen op station West heeft hij zo’n kluisje voor zijn fiets. Natuurlijk, want die kostbare fiets moet je beschermen tegen vandalisme… maar er hard mee fietsen is te veel gevraagd. Waarom vind ik hem irritant? Wat heeft hij mij misdaan? Logische vragen waar ik geen antwoord op kan geven.

Op het perron staat bovendien altijd een kleine vrouw, die net als de fietser, een bron van ergernis is voor mij. Reden hiervoor is dat ze altijd iets te goed uitgekozen kleding aan heeft, combi’s die net te hip zijn voor haar leeftijd. En in haar hand hangt altijd een rieten mandje. Ze is ook nog eens klein en ik schat een jaar of vijftig oud. In combinatie met de mand, kleding en postuur ziet ze er uit als een bejaard Grietje (van het beroemde sprookje Hans en Grietjes red.). Dat vind ik irritant.

‘Ze’ zeggen dat irritaties vooral in jezelf zitten. Dat je je ergert aan eigenschappen die je zelf ook hebt en niet zo leuk vindt. Maar ik loop niet met een rieten mand rond. En ik fiets ook niet nét te langzaam met fietstassen. Eigenlijk weet ik niet waarom ik dit opschrijf, want ik schaam me voor mijn ergernis. Wat zegt het over mij? Dat ik een niet ruimdenkende vrouw ben die haar tijd beter kan gebruiken dan zich te storen aan nietsvermoedende mensen? Ik roep maar iets… Of hebben er meer mensen last van irrationele ergernissen?

Nu vraag je je trouwens af wat dat plaatje van die bevers ermee te maken heeft. Nou, daar word ik dan altijd weer vrolijk van…

Bis bis!

Tot nu toe zijn de teksten van ‘uit het vuistje’ voornamelijk verzand in klaagliederen en gezeik over de matige gesteldheid van het serviceniveau en kookkunsten van de plaatselijke horeca. Maar vandaag niet. Vandaag wordt het een juichende lofzang, een ophemelende blog, oftewel een zéér positieve recensie van restaurant Bis in Utrecht
(www.bis-utrecht.nl).

Met zus E. was ik al eens eerder in dit schattige en gezellige (e)etablissement geweest middenin het Utrechtse winkelkwartier. Gisteren bracht ik samen met mijn moeder een bezoek. Het was druk, gelukkig had ik gereserveerd, en erg rumoerig. Of we een iets rustiger tafeltje mochten? Dat was geen probleem, binnen twee minuten hadden we een prachtig plekje aan het raam. Rustig en met uitzicht op het winkelend publiek (en zo nu en dan de ruggen van onze rokende medemens).

Het eten was super. Goed op smaak en niet standaard. Als ik een biefstukje of sateetje wil, ga ik wel naar een eetcafé. Of beter: kook ik thuis wel. We konden kiezen uit drie soorten witte wijn (dus per glas) en kozen voor een smakelijke Zuid-Afrikaanse sauvignon. Mama at vooraf drie grote garnalen met Indiase curry en als hoofdgerecht linguini met een kruidensausje, druiven, gegrilde tomaten en oude kaas. Ik had vooraf oesters (met citroen, peper of rode wijnazijn met uitjes) en als hoofdgerecht zwaardvis met groentebrunoise, aardappeltjes in de schil en ansjovismayonaise. Samen hebben we nog een tompouce met witte chocolade- en rabarbermousse als nagerecht gegeten. Het was héérlijk. De sfeer was gemoedelijk, niet stijfjes maar open en gastvrij. De bediening was bekwaam, vriendelijk, oplettend en steeds bereid om een stapje extra te doen voor de gasten (ja, de gamba’s kunnen ook gepeld).

Dus, mocht je een keer in de gelegenheid zijn. Reserveer dan (lijkt me gewenst) en geniet bij Bis in Utrecht. Ik zeg in ieder geval ‘bis bis’, want ik kom er graag nog een keer.

Voor het blok

Wekenlang zwoegen met planken, troep, zaag, verfkwast, stukadoorspul, spatel en tegels. En dan nul euro daaraan over houden. Het overkwam de bewoners van Het Blok 2008 dit jaar. Gisteravond was de twijfelachtige en zoals altijd uitgerekte ontknoping van de verkoop van de appartementen. Ik heb met een plaatsvervangend genaaid gevoel zitten kijken. Want de winst was erg karig dit jaar (understatement).

Elf weken lang klussen, weinig slapen, ruzie maken, je baan laten verloederen, je vrienden of kinderen niet of nauwelijks zien, je handen kapot werken, na elke tegenslag weer opstaan, kritiek krijgen en in volle glorie met je kop, lijf en onhebbelijkheden op televisie komen. Daar moet toch wat tegenover staan, zou je denken. De afgelopen jaren was dat ook altijd het geval. Los van een slecht presenterend nogal apart koppel ongeveer twee jaar geleden, maakte iedereen wel een paar duizend euro winst en sommigen zelfs meer dan een ton. Gisteravond was het een heel ander verhaal.

De appartementen van de eerste drie kandidatenkoppels kregen allemaal de startwaarde van 270.000 euro. Nou begrijp ik dat het Amsterdamse prijzen zijn, maar je legt de lat wel meteen erg hoog. Geen van drieën kwamen ze in de buurt van dit bedrag, ze bleven er allemaal ver onder. Hoe dat komt? De kredietcrisis werd genoemd. Of misschien willen mensen niet met hun kop op tv een huis kopen. Het vierde koppel maakte ongeveer 1000 euro winst na een spannende ‘Mijn’. Hun startwaarde was 215.000 euro. Ok, hun appartement was kleiner, maar mij lijkt dit bijna doorgestoken kaart. Net5 wilde toch iemand met geld naar huis sturen. En dus wonnen Frits en Petra de 50.000 euro.

Nooit maar dan ook nooit zou ik meedoen aan zo’n programma. En na deze deceptie denk ik dat het erg lastig wordt om kandidaten voor een nieuwe reeks te vinden. Uitbuiting, dat is het. Ik heb medelijden met die arme mensen. Hopelijk was ‘de ervaring’ ook wat waard, maar een beetje financiële compensatie zou wel gepast zijn.

Mijn memmetjes

Ze zijn gelukkig nog prompt, stevig, rond en (ja dat ook) klein. Mijn borstjes. Ik dacht, ik kan er maar beter over schrijven, nu ze nog in optima forma zijn, dan wanneer ze uitgelubberd op mijn (tegen die tijd eveneens hangende) buik hangen.

Als puber had ik een haat-liefdeverhouding met mijn memmetjes. Mijn twee oudere zussen beschikten al over felbegeerde rondingen, maar ik moest geduld hebben. Tegen mijn twaalfde jaar begon er iets te gebeuren. Elke dag keek in de spiegel en staarde naar de kleine erwtjes die héél traag groeide. Het ging tergend langzaam. ’s Nachts droomde ik van mooie, ronde, grote borsten. Een prompte C, daar had ik mijn zinnen op gezet. Ik wilde een kloeke boezem waar mannen hun hoofd troostend op konden laten rusten. Marilyn Monroe-achtige prammen, die onwillekeurige bollingen in broeken van hitsige jongens veroorzaakten. Volle T-shirts en diepe decolletés. Helaas had mijn lichaam iets anders voor me in petto. Heel lang bleef mijn borstpartij hangen op maatje A. En daar was ik niet zo blij mee. Toen de pil ook geen groeispurt veroorzaakte, begreep ik dat ik me er bij neer moest leggen: ik zou nooit een vrouw worden tegen wiens borsten mannen praten. En even voor de duidelijkheid: neptieten hoef ik niet.

Inmiddels ben ik blij met mijn borstjes. Ze zijn niet peervormig, hangen niet en hebben geen langspeelplaten als tepels. Alleen blijven ze in de categorie ‘klein maar fijn’ steken. Voordeel hiervan is dat ik geen peperdure bh’s hoef te kopen, nooit een pijnlijke borstverkleining hoef te ondergaan en geen last heb van aanhoudende rugpijn. Ik heb me erbij neergelegd. Stiekem kijk ik wel uit naar mijn eerste zwangerschap. Als het goed is mag ik dan tijdelijk genieten van een indrukwekkende boezem (ook wel melktieten genoemd door Mathijs). Het wordt een klein hoogtepunt in de geschiedenis van mijn borsten. Alleen jammer dat ze na deze kortstondige periode van trots, nut en aanzien waarschijnlijk vervallen tot theezakjes.

Winter wonderland

Het knerpende, knisperende geluid van de vaste sneeuw onder mijn voeten. De lucht is lekker koud. Van die kou waar je je goed voor inpakt en die frisse rode blossen op je gloeiende wangen veroorzaakt. Ondanks het late uur is het verrassend licht op straat. De sneeuw reflecteert het maan- en lantaarnpaallicht. De geur is zoals alleen sneeuw kan ruiken; nattig, bedompt en verfrissend tegelijk.

 

Gek om in november al door sneeuw te lopen. Het biedt hoop voor de kerstdagen. Wie weet. Van binnen nestelen de wintersportkriebels zich al onbedaarlijk. We gaan pas in maart, dus ik moet ze nog even in toom houden. We maken sneeuwballen, trekken aan met sneeuwbedekte takken zodat de ander een sneeuwbui op het bemutste hoofd krijgt. En één keer rent Mathijs over het witte pad wat resulteert in een prachtige glijpartij en een goede schep sneeuw in zijn broek. Uitgelaten als kinderen zijn we, heerlijk zo’n onverwacht pak.

De katten weten niet zo goed wat ze ervan vinden. Eerst snuffelen ze uitgebreid. Dan springen ze op de rand van het balkon, de pootjes zakken diep weg in een laagje sneeuw. Je ziet ze schrikken: koud. Met de poten lang gestrekt lopen ze voorzichtig over het smalle muurtje richting het dak van de garage. Eekie is bang (maar wanneer is hij dat niet) en kiest voor het platte dak. Dat is helemaal bedekt met een laag ijs en dus zeker niet geschikt voor een dutje. Dan maar weer terug het dak op. Zo blijven ze even bezig. Maar beide katten kiezen al gauw voor de warme huiskamer. Net als wij. Want dat is misschien nog wel het leukste aan dit weer: binnen met kaarsjes en warme chocomel lekker tegen elkaar aankruipen…

Horecabeesten onder mekaar

Op hyves had ik beloofd dat ik een verslagje zou schrijven van collega Liesbeth’s afscheid. Inmiddels is het zondag en afgelopen donderdag was het feestje. Een beetje mosterd na de maaltijd, maar ach: beter laat dan nooit! Het was een topavond, maar wat wil je ook anders met zo’n topcollega. We gaan haar heel erg missen (waarom Almere???). Enne, we gaan nooit meer eten bij het Groot Genoegen in Den Bosch. Dit eetcafe heeft gastvrijheid een hele nieuwe betekenis gegeven. En dat bedoel ik niet in positieve zin.

Liesbeth zal het waarschijnlijk met me eens zijn. Als horecabeest kan zij ook nooit lekker achterover leunen in een restaurant, toppertjes daar gelaten, want er is altijd wel iets te zien. Horeca is kijken. Als ex-horecamedewerker zie je alles wat moet gebeuren en alles wat fout gaat. Toch Lies? En Emilie? En…? Lege glazen, onaardig personeel, niet zo smakelijk eten, gebrek aan inzicht etc. Liesbeth en ik kunnen er wel een boompje over opzetten. Dat gaan we waarschijnlijk nog wel doen, want we gaan zeker nog een (heleboel) keer uit eten in Utrecht. De arme Utrechtse middenstand weet niet wat haar overkomt. Maar lieve lezer, als iemand je uitnodigt voor een etentje in de Brabantse hoofdstad, loop dan voorbij het Groot Genoegen. Er zijn namelijk een hele hoop goede alternatieven. Later meer…