Voor het blok

Wekenlang zwoegen met planken, troep, zaag, verfkwast, stukadoorspul, spatel en tegels. En dan nul euro daaraan over houden. Het overkwam de bewoners van Het Blok 2008 dit jaar. Gisteravond was de twijfelachtige en zoals altijd uitgerekte ontknoping van de verkoop van de appartementen. Ik heb met een plaatsvervangend genaaid gevoel zitten kijken. Want de winst was erg karig dit jaar (understatement).

Elf weken lang klussen, weinig slapen, ruzie maken, je baan laten verloederen, je vrienden of kinderen niet of nauwelijks zien, je handen kapot werken, na elke tegenslag weer opstaan, kritiek krijgen en in volle glorie met je kop, lijf en onhebbelijkheden op televisie komen. Daar moet toch wat tegenover staan, zou je denken. De afgelopen jaren was dat ook altijd het geval. Los van een slecht presenterend nogal apart koppel ongeveer twee jaar geleden, maakte iedereen wel een paar duizend euro winst en sommigen zelfs meer dan een ton. Gisteravond was het een heel ander verhaal.

De appartementen van de eerste drie kandidatenkoppels kregen allemaal de startwaarde van 270.000 euro. Nou begrijp ik dat het Amsterdamse prijzen zijn, maar je legt de lat wel meteen erg hoog. Geen van drieën kwamen ze in de buurt van dit bedrag, ze bleven er allemaal ver onder. Hoe dat komt? De kredietcrisis werd genoemd. Of misschien willen mensen niet met hun kop op tv een huis kopen. Het vierde koppel maakte ongeveer 1000 euro winst na een spannende ‘Mijn’. Hun startwaarde was 215.000 euro. Ok, hun appartement was kleiner, maar mij lijkt dit bijna doorgestoken kaart. Net5 wilde toch iemand met geld naar huis sturen. En dus wonnen Frits en Petra de 50.000 euro.

Nooit maar dan ook nooit zou ik meedoen aan zo’n programma. En na deze deceptie denk ik dat het erg lastig wordt om kandidaten voor een nieuwe reeks te vinden. Uitbuiting, dat is het. Ik heb medelijden met die arme mensen. Hopelijk was ‘de ervaring’ ook wat waard, maar een beetje financiële compensatie zou wel gepast zijn.

Mijn memmetjes

Ze zijn gelukkig nog prompt, stevig, rond en (ja dat ook) klein. Mijn borstjes. Ik dacht, ik kan er maar beter over schrijven, nu ze nog in optima forma zijn, dan wanneer ze uitgelubberd op mijn (tegen die tijd eveneens hangende) buik hangen.

Als puber had ik een haat-liefdeverhouding met mijn memmetjes. Mijn twee oudere zussen beschikten al over felbegeerde rondingen, maar ik moest geduld hebben. Tegen mijn twaalfde jaar begon er iets te gebeuren. Elke dag keek in de spiegel en staarde naar de kleine erwtjes die héél traag groeide. Het ging tergend langzaam. ’s Nachts droomde ik van mooie, ronde, grote borsten. Een prompte C, daar had ik mijn zinnen op gezet. Ik wilde een kloeke boezem waar mannen hun hoofd troostend op konden laten rusten. Marilyn Monroe-achtige prammen, die onwillekeurige bollingen in broeken van hitsige jongens veroorzaakten. Volle T-shirts en diepe decolletés. Helaas had mijn lichaam iets anders voor me in petto. Heel lang bleef mijn borstpartij hangen op maatje A. En daar was ik niet zo blij mee. Toen de pil ook geen groeispurt veroorzaakte, begreep ik dat ik me er bij neer moest leggen: ik zou nooit een vrouw worden tegen wiens borsten mannen praten. En even voor de duidelijkheid: neptieten hoef ik niet.

Inmiddels ben ik blij met mijn borstjes. Ze zijn niet peervormig, hangen niet en hebben geen langspeelplaten als tepels. Alleen blijven ze in de categorie ‘klein maar fijn’ steken. Voordeel hiervan is dat ik geen peperdure bh’s hoef te kopen, nooit een pijnlijke borstverkleining hoef te ondergaan en geen last heb van aanhoudende rugpijn. Ik heb me erbij neergelegd. Stiekem kijk ik wel uit naar mijn eerste zwangerschap. Als het goed is mag ik dan tijdelijk genieten van een indrukwekkende boezem (ook wel melktieten genoemd door Mathijs). Het wordt een klein hoogtepunt in de geschiedenis van mijn borsten. Alleen jammer dat ze na deze kortstondige periode van trots, nut en aanzien waarschijnlijk vervallen tot theezakjes.

Winter wonderland

Het knerpende, knisperende geluid van de vaste sneeuw onder mijn voeten. De lucht is lekker koud. Van die kou waar je je goed voor inpakt en die frisse rode blossen op je gloeiende wangen veroorzaakt. Ondanks het late uur is het verrassend licht op straat. De sneeuw reflecteert het maan- en lantaarnpaallicht. De geur is zoals alleen sneeuw kan ruiken; nattig, bedompt en verfrissend tegelijk.

 

Gek om in november al door sneeuw te lopen. Het biedt hoop voor de kerstdagen. Wie weet. Van binnen nestelen de wintersportkriebels zich al onbedaarlijk. We gaan pas in maart, dus ik moet ze nog even in toom houden. We maken sneeuwballen, trekken aan met sneeuwbedekte takken zodat de ander een sneeuwbui op het bemutste hoofd krijgt. En één keer rent Mathijs over het witte pad wat resulteert in een prachtige glijpartij en een goede schep sneeuw in zijn broek. Uitgelaten als kinderen zijn we, heerlijk zo’n onverwacht pak.

De katten weten niet zo goed wat ze ervan vinden. Eerst snuffelen ze uitgebreid. Dan springen ze op de rand van het balkon, de pootjes zakken diep weg in een laagje sneeuw. Je ziet ze schrikken: koud. Met de poten lang gestrekt lopen ze voorzichtig over het smalle muurtje richting het dak van de garage. Eekie is bang (maar wanneer is hij dat niet) en kiest voor het platte dak. Dat is helemaal bedekt met een laag ijs en dus zeker niet geschikt voor een dutje. Dan maar weer terug het dak op. Zo blijven ze even bezig. Maar beide katten kiezen al gauw voor de warme huiskamer. Net als wij. Want dat is misschien nog wel het leukste aan dit weer: binnen met kaarsjes en warme chocomel lekker tegen elkaar aankruipen…

Tekst en uitleg

Tekst is moeilijker dan je denkt. Zo kan een korte maar krachtige mail ontzettend onaardig en kattig overkomen. Een nette brief met ‘geachte’ in de aanhef leest heel anders dan een ‘beste belastingdienst’. En soms is een tekst op meerdere manieren te interpreten. Of beter gezegd: is de kans dat je hem verkeerd interpreteert erg groot. Zo schreef ik vandaag ‘ze mogen altijd achterom komen’. Wat ik bedoelde was dat de geïnterviewde man een dermate goede relatie met die mensen had dat ze niet hoefden aan te bellen bij de voordeur, maar dat ze gewoon binnen konden lopen via de achterdeur. Mijn perverse en altijd doordenkende collega’s hadden hele andere gedachten (jaja, daar heb ik ook wel eens last van). En opeens waren alternatieven als ‘de achterdeur staat altijd open’ ook erg dubieus. De zin is in zijn geheel verwijderd.

Nog een puntje van aandacht: als vaste lezer heb je waarschijnlijk al gemerkt dat ik mijn eigen leven als bron gebruik voor deze blog (is meestal zo bij een weblog). Bedenk dus dat alles wat je doet en zegt tegen je gebruikt kan worden. Jullie zijn (op een uiterst vriendelijke manier) gewaarschuwd!

Miljoenentuinman

Wat zou je doen met een miljoen? Gisteravond keken we het einde van Postcodeloterij Miljoenenjacht. Als spelers van de loterij waren we erg enthousiast toen we ontdekten dat de meneer in de studio voor koffer tien had gekozen. Die hebben wij namelijk (en negen, die ook). De man dealde voor 66.000 euro, een bedrag waar ik absoluut geen nee tegen zeg. Helemaal aan het eind van het programma wint iemand thuis met hetzelfde koffernummer datzelfde bedrag, uitgereikt door Winston Gerstanowitz (of hoe je dat ook schrijft). 

Gespannen keken wij hoe Winston door de straat liep van de winnaars. Ik had inmiddels mijn lenzen al uitgedaan en zat dus zowat tegen de tv geplakt om het goed te kunnen zien. Het was overduidelijk niet onze straat. Teleurstellend, maar ik kan ook altijd erg genieten van de reactie van mensen die wat winnen. Even afkijken dus. Een oud, verlopen type in een trainingspak deed open. Hij zag eruit alsof hij uit een achterbuurt kwam. Leuk, die kan het geld goed gebruiken! Zijn vriendin bleek een ietwat gezette (lees: dik), autistische Slowaakse te zijn. Helemaal mooi, denk je dan. Althans dat zou je denken, want dat dacht ik dus niet. Want die mensen begrepen er geen snars van. Geld gewonnen? Huh? En het enige wat ik kon denken was: kom maar hier met die koffer! Egoïstisch maar waar.

Wat ik zou doen met het geld? Zesduizend verbrassen, veertigduizend investeren in een huis en twintigduizend sparen. Daar waren Mathijs en ik het snel over eens. Wat ik zou doen met een miljoen? Tja, dat is wegdromen geblazen. Een huis, helemaal naar onze zin gemaakt met een luxe badkamer, zwembad, sauna, grote tuin, wijnkelder, immens grote&luxe keuken, enorme eettafel. En een erker met een groot raam waar ik een chaise longue voorzet en boeken lees. En van waaruit ik de schoonmaakster in de gaten houd en de tuinman begluur. Want dat is natuurlijk een ontzettend lekker ding met gespierd en ontbloot torso, mysterieuze ogen en warrige donkere krullen waar je sensueel met je handen door wilt wrijven. Hmmm. Ik droom nog even verder. 

Carpe diem

Dead Poets Society. Hoe vaak ik de film ook zie, hij blijft goed. Al begint het zoetsappige zo nu en dan wel door te schemeren. De eerste keer dat ik hem zag was tijdens een blokuur Engels van meneer Swartjes in Middelburg (de laatste keer was vanavond). Waarschijnlijk droomde hij ervan om net zo’n inspiratiebron voor ons te zijn als Mr. Keating dat was voor zijn pupillen. Het feit dat ik me deze leraar nog steeds haarscherp voor de geest kan halen, zegt wel iets. De indruk is gebleven, al is hij niet te vergelijken met het grote verschil dat Keating maakte in het leven van zijn pokdalige pubers.

In de film van vanavond promoot Keating de boodschap van Carpe Diem. Pluk de dag! Een nobel en vaak onhaalbaar streven, maar heerlijk om dromerig en idealistisch bij weg te zwijmelen. Want we proberen het wel; genieten van de dag, van het moment. Maar er komt meestal iets tussen. Iets wat moet en Ontzettend Belangrijk is. Jammer. Wel vind ik het goed om weer eens bij deze levensvisie stil te staan. Ook het nonconformistische zet me aan het denken. Alleen zijn mensen nou eenmaal kuddedieren. Je kont tegen de krib gooien, is lastig en stuit altijd op verzet. Een ander punt dat wordt aangehaald in de film is ‘ bekijk eens iets van een andere kant’. Daar ben ik 100% voor. Bovendien is het een haalbare kaart. En ‘je passie volgen’  is dat tot op zekere hoogte ook. Ziehier deze blog.

Als kind had ik, zoals zovelen, een Poezie-album. Als eerste mochten mijn ouders daar wat in schrijven, omdat dat zo hoort (kuddedier). Mijn moeder schreef een gedichtje dat ik uit mijn hoofd leerde. Zo mooi vond ik het. Ik wil het jullie niet onthouden (en beloof de volgende keer weer wat minder plechtig uit de hoek te komen):

Pluk de dag
geniet het heden
blij en opgewekt
en tob niet over
wat de toekomst brengen kan
want in ieders leven
is geen geluk volmaakt

Creatief máár

Ik houd van creatief bezig zijn. Het eerste wat je los moet laten als je creatief wilt zijn, zijn regels en kritiek. Dat heb ik geleerd tijdens een verder niet bijster interessante cursus Creativiteit. Je laat je gedachten de vrije loop en je kijkt wat er komt. Als een wolkje bij een stripfiguur, ploppen de ideeën bij je op. Heerlijk vind ik dat. Pas later kijk ik wat er echt geschikt is. Op deze manier kom je nog eens op nieuwe, originele vondsten en ideeën.

Daarom vind ik het zo jammer dat het op mijn werk vaak ‘creatief máár’ is. De maar is onlosmakelijke gekoppeld aan het proces. Verzin ‘iets leuks’, máár het mag niet te leuk zijn, moet in die en die stijl passen en niet te uitdagend zijn. Uiteindelijk produceer je een compromis. En volgens mij geven compromissen niet de meest provocerende (maar dat is dan natuurlijk niet de bedoeling), vooruitstrevende of spetterende resultaten. Ik krijg er altijd de kriebels van. Het is blij maken met een dooie mus. Denk je een geweldige, uitdagende opdracht te hebben, willen ze eigenlijk gewoon dertien-in-dozijn.

Als bureau ben je afhankelijk van je opdrachtgever en heb je weinig keus. Je kunt een keer een gek voorstel doen, maar als je zoiets te vaak flikt, lig je buiten. Niet handig dus. Dus zal ik op deze site mijn creativiteit moeten botvieren. Ik zal risico’s moeten nemen en daarbij onvermijdelijk af en toe op mijn bek gaan. Dat geeft niet, hoort bij het schrijfproces. Kritiek mag achteraf.

Waar ga ik het eens over hebben?

Het maagdelijk witte scherm staart me aan. Het doet me denken aan de eerste pagina van een nieuw schrift op school. Die beschreef ik altijd uiterst zorgvuldig. Nette, ronde letters vulden in een traag tong-uit-de-mond-tempo de lichtblauwe lijntjes. De tweede pagina was van een heel ander kaliber. Hartjes en poppetjes in de kantlijn, gekrabbel en gekras op het vel. Zoniet op de Eerste Pagina. Nee, ik nam nog liever een totaal nieuw schrift ter hand dan op die bladzijde iets door te krassen.

Een eerste blog is dus op zijn zachtst gezegd een magisch moment. En dan ook nog op mijn eigen site. Het verschil met vroeger is dat ik achteraf wel kan schrappen en veranderen, zonder groteske inktvlekken achter te laten. Maar dat is niet helemaal eerlijk. In het stukje over mezelf schrijf ik dat ik hier ‘probeersels, losse flodders en hersenspinsels’ wil plaatsen. Perfectie is dus geen vereiste. Maar toch moet mijn eerste blog fantastisch zijn; ongekend goed, wereldschokkend en vermakelijk tegelijkertijd. Tja, maar waar ga ik het dan over hebben?

Daar zit ik dus nu al een half uur over na te denken. Gaandeweg mijn journalistieke carrière heb ik geleerd om bij gebrek aan inspiratie maar een end weg te tikken. Er zit altijd wel iets bruikbaars tussen. En het resultaat lees je nu. Ik zou het natuurlijk ook kunnen hebben over seniorenseks, avondeten, vrijdagmiddaggevoel, mijn financiële situatie, de hoeveelheid vakantie die docenten hebben of vrouwen met en/of zonder lef. Allemaal termen en onderwerpen die me op de een of andere manier bezighouden. Maar zijn ze belangrijk genoeg voor een eerste blog? Hmmm. Nee, is het duidelijke antwoord. En dus moeten jullie het doen met dit betekenisloze getwijfel. Dit eindeloze gemekker dat rechtstreeks uit mijn hoofd op het papier verschijnt. Ik beloof beterschap.