Zinderend, nagelbijtend, voetentrapellend en okselklotsend spannend was het gisteravond. Nederland-Uruguay. Vlak voor de wedstrijd kreeg ik opeens last van een stekend déja vu -gevoel. Ik zag ons weer zitten twee jaar geleden op vakantie in Frankrijk in die aftandse snackbar: Nederland – Rusland. Na het verslaan van grootmachten Italië en Frankrijk leek dit een kat in het bakkie, een verplichte stap in de weg naar oneindige roem. We gingen genadeloos ten onder.
En dus kreeg ik het warm gisteravond. Want zouden we goed genoeg zijn? Dit ondanks de prachtige zege ten koste van Kaká en zijn kompaan-kanaries en ondanks de op papier gemakkelijke tegenstanders die Uruguay in de finales tot nu toe versloeg. Het voelde even helemaal niet goed. Het eerste doelpunt voelde iets lekkerder, maar ik ging sacherijnig de rust in. Daarna werd het een gekkenhuis. Met hartkloppingen en trillende handen doorstond ik de wedstrijd. Alle 96 minuten… En toen dan eindelijk het echte eindsignaal klonk (dus niet die gele kaart van Van Bommel, weet iemand trouwens waarom hij geel kreeg?), duurde het even voordat het tot me doordrong. Het kostte een tijdje om de zenuwen uit mijn lijf te bannen en te beseffen dat het echt waar was (en is): Oranje staat in de finale.
Komende zondag kun je me helemaal opvegen. Dan is het erop of eronder. En ik heb er een hard hoofd in, ondanks mijn van nature optimistische aard. Ik vind het eng om te positief te zijn, al probeer ik krampachtig The Secret toe te passen. Wel is het nog de vraag waar we precies gaan kijken. Hoewel het nu elke keer één groot fantastisch gefaciliteerd en supergezellig feest was bij Polly Maggoo, denken we er serieus aan om thuis te kijken. Redenen zijn onder meer goed zicht op de tv, rustig kunnen kijken, privé-wc in de buurt, maar vooral: geen nepfans. Want helaas komt er met het bereiken van de finale steeds meer randvolk op de wedstrijden af.
Je herkent ze aan de volgende zaken:
Een iets te opgedoft uiterlijk
Het zijn meestal vrouwen of homo’s (niets ten nadele van vrouwen of homo’s verder)
Ze wandelen tien minuten voor tijd binnen, zonder ogenschijnlijke zenuwen
Ze verwachten dan nog goede plaatsen te kunnen bemachtigen
Ze kwaken/kakelen tijdens de wedstrijd. Niet over voetbal
Daarbij tikken ze regelmatig op elkaars schouder en draaien ze hun gezicht weg van het beeld
Ze doen uitspraken als ‘doet Kuivert niet mee?’
Of ‘wanneer komt Krajicek erin?’
Ze drinken geen bier
Als we verliezen ‘is het maar een spelletje’
Je moet heel erg de neiging onderdrukken om ze niet te slaan
En zo kan ik nog wel even doorgaan. Natuurlijk, ik moet me er niets van aantrekken. Maar dat kost moeite voor iemand die liefst ook alle oefenwedstrijden van het Nederlands Elftal kijkt. En tuurlijk, je mag me een zeikwijf vinden die een ander zijn/haar pleziertje niet gunt. Maar wat wordt het: thuis of toch in de kroeg?
