Inzichten van een mama

Het eerste jaar met Joep en Evi zit er bijna op. Veel mensen grijpen de eerste verjaardag aan om terug te kijken, te mijmeren en de balans op te maken. Dat gaat hier niet anders. Ontroerd kijken we naar foto’s van de iniminiversie van onze tweeling. Wat waren ze klein! En ik denk regelmatig terug aan wat ik nu deed een jaar geleden (niks!). Van tevoren heb je bepaalde verwachtingen van het moeder-/ouderschap. Die verwachtingen zijn grotendeels uitgekomen, maar er waren ook genoeg verrassingen. Ik deel er hier een paar.

Wat ik niet wist voor ik moeder werd:

  • Hoe verrot je kunt zijn van slaapgebrek,
    maar dat je dan tóch meer kunt dan je denkt.
  • Dat je na één nacht doorslapen nog lang niet fit bent.
  • Dat ontzwangeren bestaat.
  • Dat borstvoeding niet zo romantisch en gemakkelijk is.
  • Dat je zeer regelmatig poep aan je handen hebt (lees: ik elke dag wel een keer).
  • Dat je met liefde snotjes uit iemands neus haalt.
  • Dat dit zelden of nooit gewaardeerd wordt.
  • Hoe vaak je moet stofzuigen.
  • Hoeveel luiers er eigenlijk doorheen gaan.
  • Dat je blij kunt worden van het idee een kruimeldief te gaan kopen.
  • Hoeveel tijd je op je knieën op de grond doorbrengt omdat je iets onder de bank vandaan vist of een plasje kwijl/spuug/hapje van de grond veegt.
  • Hoe fijn het soms is dat het 19.15 uur ’s avonds is en je even niets meer hoeft.
  • Hoe blij je kunt zijn als je ‘pas’ om 7.30 uur wakker wordt.
  • Dat uit eten gaan niet meer draait om de culinaire hoogstandjes, maar vooral om het ‘er even uit zijn’.
  • Hoe snel de tijd eigenlijk voorbij gaat.
  • Hoe gelukkig je kunt worden van een natte kwijlzoen.
  • Hoe moe je kunt worden van een overgeslagen dutje en een hele middag gejengel.
  • Hoeveel zorgen je je kunt maken over een ziek kind, ook al weet je dat het erbij hoort.
  • Hoe fijn het is als ze zich tegen je aan laten hangen, ophouden met huilen, hun gloeiende hoofdje tegen je schouder leggen en gapen.
  • Hoe vervelend de wintertijd eigenlijk is.
  • Hoeveel praatjes je maakt met anderen in de categorie: ja het is een tweeling.
  • De verrassende uitdrukking op de gezichten van mensen als je casual zegt ‘ik heb een tweeling van zoveel maanden’. Je ziet ze denken: en je stáát hier gewoon.
  • Hoe stom het soms kan zijn.
  • En hoe leuk, liefdevol, gezellig, fantastisch, vertederend, lachwekkend het op andere momenten kan zijn.

Het was een topjaar! Ik ben heel benieuwd tot welke inzichten ik volgend jaar ga komen.

Opvoedseizoen is geopend

Het opvoeden begint bij 1 jaar, heb ik ergens gelezen. Tot die tijd kun je ze niet verwennen. Het eerste jaar komt steeds dichterbij voor Joep en Evi en dat begin je te merken. Het woord ‘nee’ is geïntroduceerd. Blijkbaar is dat een grappig woord, want er wordt meestal om gelachen. Evi schudt ook van nee (en doet ja). Ik ben aanhanger van de afleidmethode. Tenminste in theorie, de praktijk moet dit nog uitwijzen. Dus als Evi aan de slab van Joep trekt tijdens het eten zeg ik ‘nee’, zet haar wat verder weg en zing ‘smakelijk eten’. Tot nu toe werkt dat prima.

Vannacht had ik voor het eerst het idee dat ze een geintje met mij uithaalden. Dat ik gepiepeld werd. Joep brulde dat het een lieve lust was en dus kwam ik hem troosten. Hij kan een echte dramaqueen zijn en de dikke tranen rolden over zijn tot een grimas verwrongen wangen. Ik pakte hem op en wiegde hem zoals mama’s dat over de hele wereld doen: benen een stukje uit elkaar, hoofd op mijn schouder en een beetje hupsen door de knieën. Dat werkte, hij stopte met huilen.

Opeens hoor ik naast me een gegrinnik en achter me gelach. Joep en Evi hadden oogcontact en de grootste lol met elkaar. Als sneeuw voor de zon waren de tranen en het grote verdriet vergeten. Het leek alsof ze zeiden ‘haha, nu hebben we mama midden in de nacht uit haar slaap en bed gehaald en gaan we lekker spelen’. Natuurlijk, ik begrijp dat baby’s dat nog helemaal niet kunnen denken, zeker niet baby’s wiens vocabulaire niet verder komt dan ‘mama’, ‘dadada’ en ‘ete, ete, ete’. Maar toch voelde ik me een beetje voor gek staan, alsof ik er was ingetrapt daar middenin de nacht met mijn haren in de slaapstand, in mijn onderbroek en shirt. Kusje erop en weer verder slapen dan maar. En terwijl ik de deken weer over me heen trok bedacht ik me hoe de komende jaren eruit gaan zien: samen mama voor gek houden, samen stiekem dingen doen, samen stout zijn en hopelijk ook, samen lief zijn. Ik verklaar het opvoeden voor geopend.

Domme mensen krijgen kinderen

Ik baar dus ik heb een laag IQ. Hoe meer kinderen, hoe dommer. Of: een slimme meid heeft met kinderen geen affiniteit. Toen ik het bericht op Telegraaf.nl las, gingen mijn nekharen even overeind staan. Intelligente vrouw blijft kinderloos, een gevaarlijke uitspraak vind ik.

Laat ik eerst zeggen dat ik vind dat iedereen voor zichzelf moet uitmaken of hij/zij wel of geen kinderen wil krijgen. Dat ik kinderen leuk vind, wil niet zeggen dat een ander dat ook moet vinden. Dus respect voor alle mensen (en peace!).

Zijn intelligente vrouwen te slim zijn om kinderen te krijgen? Waarom doen we het onszelf eigenlijk aan? Slapeloze nachten, poepluiers, een zwangerschap en bevalling, een lijf dat nooit meer hetzelfde wordt, een leven dat nooit meer hetzelfde wordt, minder op stap en uit eten maar meer natte kusjes, knuffels en kinderliedjes. En oja, soms wat frustratie.

Het wel of niet krijgen van kinderen is wat mij betreft naast een kosten/baten afweging (heb ik het ervoor over, maar je krijgt er zoveel voor terug) vooral een oergevoel in je lijf dat je wel of niet hebt. Ik kan me voorstellen dat slimme meiden wat later gehoor geven aan dat oergevoel. Rationeel gezien weten zij dat het beter is om eerst een studie af te maken, een leuke baan te vinden, een huis te kopen en wat te klimmen op de carrièreladder. Daarna komt het kindervraagstuk weer naar voren en gaan de eierstokken wel of niet klapperen. En dan is het de vraag natuurlijk of het nog wel lukt, dat kinderen krijgen. Een belangrijk onderdeel van het kinderloos blijven van intelligente vrouwen is dan ook dat het soms gewoon te laat is.

Volgens de Londense onderzoeker Satoshi Kanazawa daalt de drang om kinderen op de wereld te zetten met een kwart bij elke 15 extra IQ punten. Of het een goed gefundeerd onderzoek is, staat er niet bij. Ik geloof dat bij hoge intelligentie ook het vermogen tot piekeren hoger is. Omdat je meer nadenkt, denk je ook meer na over de gevolgen van beslissingen in je leven. De ‘het komt wel goed (schatje)’-gedachte is wat minder aanwezig. Overpeinzingen als ‘wil ik dit echt’, ‘kan ik wel een goede moeder zijn’, ‘kunnen we dat betalen’, ‘krijg ik die promotie dan nog wel’ en ‘waar gaat het kind slapen’ kunnen vele slapeloze nachten vullen. Terwijl als je wat ‘dommer’ bent je misschien eerder geneigd bent om die gedachten over te slaan en te denken ‘leuk, doen we!’.

Bovenstaande is een gevaarlijke uitspraak van mij. En eigenlijk zeg ik ermee dat ik zelf ook niet zo slim ben. Met mijn optimistische inslag denk ik regelmatig ‘het komt vast wel goed’. Werkt het ook andersom: als je niet piekert ben je dom? Ik ga er voor het gemak maar uit van niet. En is het dan ook een kwestie van ‘hoe meer kinderen, hoe dommer?’. Ook dat denk ik niet. Na het krijgen van een eerste (of de eerste twee) kind(eren) weet je een beetje wat het is om moeder te zijn en kun je voor jezelf beslissen of je meer kinderen wilt. Daarmee komt de kern van het probleem wat mij betreft bloot te liggen: moederschap kun je niet uitproberen. Even oppassen op je neefje of nichtje is niet te vergelijken met het krijgen van een eigen kind. Stel dat het niet bevalt? Een angstige gedachte die piekeren in de hand werkt. Mijn conclusie na het overdenken van het onderzoek van Kanazawa: misschien heeft hij wel gelijk. Nee, dat had ik ook niet verwacht van mezelf.

Fietscirkel

De cirkel waarin ik me de laatste maanden begeef is grotendeels bepaald door of iets wandelbaar is of niet. Teken met je passer, als je die hebt, een rondje van 3 km rond ons huis en dan weet je wat de reikwijdte van mijn leven momenteel is. Natuurlijk, ik ga ook wel eens alleen op pad. En natuurlijk, we pakken ook wel eens de auto. Maar het liefst lopen we met de kinderwagen binnen onze eigen gecreëerde cirkel. Hoog tijd om onze leefwereld wat te vergroten en de fiets te introduceren in het leven van Joep en Evi.

Kleine kindjes voorop de fiets vind ik ontzettend schattig. Kwebbelend, wijzend, zwaaiend, zingend, slapend; eigenlijk is alles leuk. Nou is het helaas onmogelijk om twee kinderzitjes voorop de fiets te zetten (zeker bij zo’n simpel exemplaar als de onze), dus dat idee valt af. Eén voor en achter is mogelijk, mits je beschikt over een hele degelijke mamafiets, goede zitjes (waarvan eentje extra luxe zodat er een kindje meteen al achterop kan) en twee kindjes die goed kunnen blijven zitten. Allemaal voorwaarden waar wij niet aan voldoen. Bovendien zag ik mezelf al hannesen met boodschappen, jammerende kindjes en een bijna omvallende fiets. En daarbij: wat als ik ergens bén. Dan wil ik rondlopen met de kids. Kortom: idee afgekeurd. Daarmee valt de optie bakfiets overigens ook meteen weg (en dan hebben we het maar even niet over mijn fietskunsten).

Wat overblijft is de fietskar. Sommige vrouwen steken nu angstig hun wenkbrauwen in de lucht: een karretje áchter je fiets, dat is le-vens-ge-vaar-lijk! Nou, dat valt wel mee hoor. Kwestie van defensief fietsen en een vlaggetje eraan. Nadeel van de fietskar is dat je minder meekrijgt van het plezier van de twee kleintjes achter je. Gelukkig hebben ze elkaar om zich te vermaken. Groot voordeel is dat je ter plaatse meteen een buggy hebt. Dat betekent dat ik in mijn eentje er ook prima mee op stap kan. En dus zijn wij nu in het bezit van een prachtige, praktische, tweehands fietskar. Ik kan niet wachten om ermee op stap te gaan en onze wereld weer wat te vergroten. Nu nog een fiets (we hebben er één) voor als we met het hele gezin en route willen. Klein detail.

Op melkjacht

Als een ware krijger besluip ik mijn prooi. Ik triptrappel richting het schap en zie tot mijn grote blijdschap dat er nog een pak staat. Die is voor mij (nou ja, voor Evi en Joep), denk ik en gris hem van de verder lege plank. Ha, we zijn weer drie dagen voorzien! Dames en heren, de jacht is geopend. Waarop, denkt u? Een collectors item? Een gratis attentie? Neen, op de pakken babyvoeding.

Resumé: in 2008 kwamen acht Chinese baby’s om door het drinken van met melamine besmette melk. Logischerwijs keerden de Chinese ouders hun binnenlands geproduceerde poedermelk de rug toe en zijn ze het van ver gaan halen. Alleen zijn de richtlijnen voor de samenstelling van babymelk in China net anders dan die in Nederland. En dus verdwijnen de pakken uit de Nederlandse supermarkten illegaal om voor veel geld te worden verkocht in China. Arme Chinezen.

Maar ook: arme Nederlandse ouders. Want hoewel Nutricia haar best doet om meer pakken te produceren, is er een groot tekort. Mochten we eerst maximaal drie pakken meenemen per supermarktklant (wat leidde tot de pittige discussie of je met een tweeling zes pakken mag meenemen), tegenwoordig mag je blij zijn als je überhaupt met melk thuiskomt. Het probleem lijkt steeds groter te worden. En nou zullen onze twee bloedjes niet zo snel verhongeren, ik denk dat ik op de een of andere manier altijd wel aan ‘spul’ kan komen, irritant is het wel.

Om het goed te maken, publiceerde het melkbedrijf al een paginagrote excuusadvertentie in diverse dagbladen. Daar koop je het wat mij betreft niet mee af. Want wat is nou het probleem voor Nutricia? Het verkoopt bakken vol met poedermelk. Ze kunnen de vraag niet eens aan. Je kunt mij niet wijsmaken dat er niet iemand ergens in een directiekamer in zijn handen zit te wrijven bij het bekijken van de verkoopcijfers. En als er zoveel pakken illegaal Nederland verlaten, dan moet zo’n lek toch te ontdekken zijn? Mij lukt het niet om met meer dan drie pakken een supermarkt te verlaten, hoezo kunnen er dan (vast) duizenden pakken naar China afreizen? Vreemde zaken. Hoog tijd om het lek aan te pakken en de verkoop in China legaal te maken. Zet die export op rantsoen en laat ons onze kinderen voeden. Voor nu prijkt Nutrilon steevast bovenaan op het boodschappenlijstje. In de hoop dat ze het hebben.

Verbijsterende adoptie

Verbijsterend, tragisch, verdrietig, pijnlijk… Eerder deze week keek ik de Holland Doc documentaire Mercy Mercy over een adoptie die niet goed verloopt. In plaats van dat twee Ethiopische kinderen een nieuwe toekomst krijgen in Denemarken omdat hun ouders doodziek zijn van de aids, leven er nu verdeeld over de wereld door verdriet verscheurde mensen. Het ergste is het voor dochter Masho, wiens leven voorgoed verpest is. En dat terwijl haar ouders juist het beste voor haar wilden; een succesvolle toekomst in een rijk Westers land. In plaats daarvan zit ze haar jeugd uit in een kindertehuis.

De beelden van haar ogen laten me niet los. Ze was zo aan het proberen om het goed te doen, deed zo haar best, maar was zo ontzettend ongelukkig. Misschien komt het door mijn eigen moedergevoelens dat het me nu zo raakt, maar het gaat ook om gevoelens van onmacht. Onmacht wat betreft liegende instanties, hulpverleners die verkeerde conclusies trekken en adoptieouders die meer bezig zijn met het ‘in bedwang krijgen’ van een kind dan het een fijne plek geven om te wonen.

Ik zeg: kijk de documentaire (en zet tissues klaar). De kans is groot dat je hetzelfde boze, onheilspellende gevoel bekruipt als mij. Dit kan toch niet zomaar! Kunnen we niets doen?

Grijs met een roze randje

Wel of geen kinderen. Worden het lange reizen, dure auto’s en veel dinertjes of toch poepluiers, peuterhumor en met de barbies of technisch lego spelen? De keuze, of soms de sombere realiteit, om wel of geen kinderen te krijgen is er één in de categorie ‘alles of niets’ oftewel ‘zwart/wit’. En ‘levensbepalend’.

Wel of geen kinderen betekent wel of niet ‘oefenen en proberen’. Wel of niet zenuwachtig en blij of teleurgesteld zijn wanneer het die tijd van de maand is. En het betekent dat je wel of niet zwanger wordt. Je lijf blijft alleen van jou, is nooit toegetakeld en nog geheel intact. Of: je deelt je lijf met je baby(‘s), wordt kotsmisselijk (of niet), waggelt als een eend (of niet), kunt alleen nog rollend opstaan van de bank, krijgt last van maagzuur (of niet) en voelt het meest bijzondere wat je kunt voelen, vind ik dan, het trappelen van een kind in je buik.

En dat betekent weer dat je wel of niet bevalt. Wel of geen pijn, knippen, pompen, scalpels, placenta’s die je wel of niet wilt bekijken, vloeken, schreeuwen, huilen etc. En dat je wel of niet geniet van je baby(‘s), ze zo nu en dan naar dromenland (ver)wenst, ze eindeloos knuffelt, verschoont en voedt en dat je mama of papa bent. Voor de rest van je leven. Of niet.

Kinderen krijgen is heel erg zwart-wit: je krijgt ze wel of niet. Er zit niets tussen. Gelukkig wordt het daarna gewoon weer alle tinten (nee, geen vijftig) grijs. Van héél lichtgrijs tot een donkergrijze donderwolk: er zijn mooie en frustrerende momenten, vermoeiende en gezellige dagen, lachjes en spuitluiers. Grijs met een roze randje wat mij betreft.

Hallo wereld!

Ik kom weer een beetje bovendrijven uit de babypoel van luiers, melk, huiltjes en lachjes. Reden hiervoor is dat de nachten langzaam steeds beter worden. Was het eerst elke drie uur voederfeest en konden we met geluk blokjes van anderhalf uur slapen, nu lukt het steeds vaker om een zogenaamde ruk van zes uur te maken. Ik voel me een ander mens.

En het mooie is dat je, als je dus wat meer slaapt, langzaam ontwaakt uit je winterslaap en ontdekt dat er nog een hele wereld buiten de muren van het (fantastische maar ook vermoeiende) moederschap is. Dat er aardbevingen zijn, mensen banen verliezen, dat pensioenen worden gekort en er weer een bank bijna omvalt. Dat het bijna carnaval is en dat ik gelukkig nog steeds goede contacten heb met opdrachtgevers. Dat die opdrachtgevers me niet vergeten zijn de afgelopen maanden en dat het dus tijd wordt om langzaam wat op te starten. En dat ik dat bestwel leuk vind.

Dus mensen: ik ben er weer. Een beetje.
Want tussen die dagelijkse bezigheden door geniet ik natuurlijk ook nog volop van Joep en Evi, moet er aardig wat gebeuren in huis om het een beetje toonbaar te houden en ben ik nog aan het ontzwangeren (vreselijke term maar o zo waar). Dus wat ik eigenlijk wilde zeggen is: hoi! (En de groetjes van Joep en Evi)

Evi en Joep zijn er!

22 november 2012, een mooie dag voor een tweeling om geboren te worden. Dat zei de gynaecoloog toen na mijn controle bleek dat ik milde zwangerschapsvergiftiging had. “Houd haar maar nuchter voor de keizersnee!”,  vervolgde hij en liep de kamer weer uit, ons verbaasd en gespannen achterlatend. Diezelfde middag kwamen na 36 weken en 1 dag zwangerschap Evi en Joep ter wereld. Evi als eerste, maar net als Joep in dezelfde minuut namelijk om 15.44 uur. Beide kindjes huilden meteen en toen ik de kleine koppies een kusje mocht geven voor ze naar de kinderafdeling gingen om gecontroleerd te worden was ik, net als hun papa, apetrots. Wat waren ze lief en klein!

Evi woog 2090 gr en Joep 2050. Inmiddels zijn we ruim drie weken verder en zijn ze al flink gegroeid, namelijk meer dan een pond per stuk. Ik had me voorgenomen om snel een blog te plaatsen hier, maar met een tweeling blijft er weinig tijd over op een dag. De eerste tien dagen moesten ze in het ziekenhuis blijven om aan te sterken, te leren drinken en te groeien. Ik bleef zelf acht dagen. Op de Moeder-Kind afdeling van het Elisabeth Ziekenhuis waren we in erg goede handen. Dus bedankt allemaal! Op 1 december kwam de hele familie thuis. Hoe bijzonder om je eigen kindjes, die écht in je buik hebben gezeten nu in hun eigen bedje thuis te hebben liggen.

Alles gaat goed. Ons hele leven staat momenteel in het teken van onze twee kleine directeurtjes. Zij bepalen wat er wel of niet gebeurt. Evi en Joep doen wat baby’s doen. Drinken, poepen, huilen, knuffelen, dat werk. Niet alleen ons leven is veranderd, maar ook ons vocabulaire. Ze melden zich,  komen voor een voeding en geven een mondje terug bijvoorbeeld. En tot nu toe heb ik nooit woorden gebruikt als fladderen, kraamtranen (ze bestaan) stuwing, aanleggen en clusteren. Er gaat een hele wereld voor je open.

Maar de grootste verandering is wel dat ze er zijn. En dat ik eindelijk begrijp waarom al die andere ouders zo hysterisch trots zijn op hun eigen kroost. Zo stonden we letterlijk te juichen in het ziekenhuis toen Joep voor het eerst 60 cc had gedronken. En kwamen we niet meer bij van het lachen toen we Evi’s gaap aan het filmen waren en ze afsloot met een knetterende scheet en een tevreden zucht. Werkelijk elke scheet, gaap, uitrekbeweging, slaaphouding (Joep met zijn kin in de lucht en zijn muts over zijn ogen of als superman met één hand in de lucht), gezichtsuitdrukking (lacht ze nou? Volgens mij is dat een lachje, wat is ze toch mooi hè) en blik is geweldig. Je wilt niet de hele tijd opscheppen over je kind, maar je kunt je bijna niet voorstellen dat andere mensen het niet fan-tas-tisch vinden dat Evi slaapt met haar hand op Joeps gezicht. We zijn officieel geïnfecteerd met het kindervirus. En dat is genieten!

De stand tot nu toe per dag:
18 luiers, 16 voedingen, een liter melk,
minimaal één onder gescheten of geplast aankleedkussenhoes,
drie hydrofielluiers en minimaal één outfit in de was,
een hoop druppeltjes Vitamine D en K (inclusief de druppels die er naast gaan)
en ontelbare knuffels, scheetjes en kusjes.

Een weekje ziekenhuis

Je kunt wel zeggen dat het ‘even schrikken’ was toen de verloskundige zei dat ik werd opgenomen in het Elisabeth Ziekenhuis. Er waren tekenen dat de bevalling misschien al op gang kwam (ik was toen 28 weken en 3 dagen zwanger) en dus gingen ze er alles aan doen om de boel te remmen. Achtenveertig uur weeënremmers, longrijpingspuitjes en bedrust waren het recept. Gelukkig hielpen deze maatregelen en mocht ik een week later weer met een rustige buik vol actieve kindjes weer naar huis. Daar doe ik het nu rustig aan. Want die baby’tjes moeten nog lekker even verder groeien, liefst nog een week of zeven.

Tijdens het weekje ziekenhuis (dat doet me denken aan die strip van Donald Duck) werd ik ondergedompeld in de wereld van de zorg. Een wereld waar je in zeer goede handen bent, is mijn ervaring. Ontzettend lieve, zorgzame mensen die dag en nacht voor je klaarstaan. Maar ook: nieuwe termen en inzichten. En die wil ik jullie natuurlijk niet onthouden.

Infuus
Naar de wc gaan met een infuus is in het begin ‘een dingetje’. Vooral het naderhand terug in bed stappen en niet verstrikt raken in de snoeren vergt wat oefening. Na een dag was ik een volleerde infuusdrager.

Was/plas
De derde dag had ik ‘was/plas’, wat zoveel wil zeggen als dat je zelfstandig, op de badkamer van je eigen kamer, naar de wc en onder de douche mag. Een voorrecht zo heb ik ervaren.

Mobiliseren
Nee, dit heeft niets met de Mobiele Eenheid te maken. Na een dagje ‘was/plas’ bleef mijn buik rustig en mocht ik gaan mobiliseren. Dit houdt in drie keer een kwartier in bejaardentempo door de gang stiefelen. En het gekke is: daarna heb je zowaar het gevoel dat je iets gedaan hebt.

Warm middageten
Bij het ontbijt geef je aan wat voor warme lunch je de volgende dag wilt eten. De keuze is reuze, maar als je het niet gewend bent om ’s middags warm te eten is het niet je-van-het. Wel kan ik iedereen de warme bananenvla met basterdsuiker aanraden.

Doekjes
Iedere dag komt er een verpleegkundige de doekjes, handdoeken en andere zaken bijvullen. Op een dag zei ik ‘die kleine vloerdoekjes heb ik gisteren opgemaakt’. Waarop zij me verbaasd aankeek. Welke doekjes bedoel je? Die daar lagen. O, die zijn voor je onderkantje, maar je mag ze ook best voor de vloer gebruiken. Ai, ok.

Frisse lucht
De ramen kunnen niet open. Dat was even wennen voor een frisse lucht junkie als ik. Overdag hield ik de deur regelmatig op een kier om te profiteren van de koele ganglucht, maar ’s nachts werkte de combinatie van geen raam open en een plastic bedhoes op mijn zweetklieren. Douchen was dus een geschenk.

Spullen
Aangezien de opname nogal onverwachts was, had ik niets bij me. Mathijs deed ontzettend zijn best om mijn briefjes te ontcijferen maar kwam er niet altijd uit. Die multivitamine in de linker middelste keukenla vooraan. Die zwarte flubberlegging of ‘mascara’. En zo zat ik met vier potjes vitamines (dan maar allemaal) een zomer niet-zwangerschapslegging en drie eyeliners in mijn ziekenhuisbed. Zo ontdek je hoe onlogisch je spullen van jezelf opruimt in huis. En hoeveel je eigenlijk in je hoofd hebt zitten.

Ctg
Twee galopperende hartjes op een computerscherm. Het klinkt idyllisch en als alles goed gaat met registeren is het dat ook. Maar twee kindjes die nog best wat ruimte hebben qua vruchtwater en flink actief zijn maken er een soort van spelletje van. En dus werd ik (denk ik) de mevrouw in kamer 12 waarbij je liever niet de ctg wilde maken als verpleegkundige. Want had je een hartje te pakken, dan kon je er zeker van zijn dat er binnen afzienbare tijd een flinke schop tegen de sensor volgde en dat de baby daarna lekker een ander kant op was gezwommen. Spelletjes spelen, ze hebben het vast van hun moeder.