Door de geel, bruin en rood bebladerde paden wandelen mensen met hun hond. Jas open, een blos op hun gezicht. Over het uitgestrekte water varen boten de zon tegemoet. Door een kanaal roeit een sportieveling, de rimpelingen die hij veroorzaakt glinsteren in het licht. Alles ziet er lieflijk uit, alsof het leven altijd zo moet zijn.
Ik zit in de trein en kijk toe. Jaloers. Hoewel ik niet mag klagen met de zon op mijn gezicht en de sussende stem van John Mayer in mijn oor. Wat een prachtige dag om er op uit te gaan. Om te genieten van de zomerse warmte in de herfst, de kleurrijke bladeren en de geur van houtvuur en eikeltjes. Dat vind ik dus zo lekker aan reizen met de trein, dat je kunt wegdromen.
En zo deed ik eventjes alsof ik zelf aan het wandelen door de bossen. Alsof ik aan de noodrem had getrokken en had gezegd ‘laat me er hier maar even uit’, voor mij geen drukte, werk en verantwoordelijkheden vandaag. Alleen maar het ritmische geluid van mijn knisperende wandelpas en het hallo van andere wandelaars. Ben ik er heel even toch bij, al is het alleen maar mijn fantasie. Het kan geen toeval zijn dat er vroeger een Loesje-poster op mijn kamer prijkte: met mijn gedachten ergens anders, ben ik altijd overal.
